Penta Rhei: Wat beweegt ons?

‘Panta Rhei’, oftewel  ‘Alles stroomt’. Deze uitspraak wordt toegeschreven aan de Griekse filosoof Heraclitus (535 B.C. – 475 BC). Hij beschreef in twee woorden een belangrijke observatie; Alles verandert continu, verandering is de enige constante.

Pentascope bestaat sinds 1990. Sindsdien zijn we veranderd, maar toch ook altijd Pentascope gebleven. De rivier beweegt door de doorstroom van water. Pentascope beweegt door een stroom van ideeën, inzichten en inspiratie. Oftewel: Penta Rhei. Weten wat ons beweegt? Lees onze boeken, blogs, en kijk verder op deze pagina.

Implementatiekunst

Gids voor realistisch veranderen

‘Hoe krijg ik ze zover?’ is de meest gestelde vraag in managementland. Is het überhaupt mogelijk verantwoordelijkheid te nemen voor de veranderbaarheid van het gedrag van een ander? ‘Implementatiekunst’ gaat ervan uit dat veranderingen niet te managen of te plannen zijn.

Banner imageBanner image
Download nu de GRATIS mini-uitgave

Samenvatting

Rubriek: Verandermanagement

Trefwoorden: Organisatieverandering, Strategie: implementatie, Veranderen, Veranderingsbereidheid, Verandermanagement

‘Hoe krijg ik ze zover?’ is de meest gestelde vraag in managementland. Is het überhaupt mogelijk verantwoordelijkheid te nemen voor de veranderbaarheid van het gedrag van een ander? ‘Implementatiekunst’ gaat ervan uit dat veranderingen niet te managen of te plannen zijn. Interventies en uw eigen gedrag daarentegen wel. Implementatiekunst laat u vanuit verschillende perspectieven kijken naar verandervraagstukken, hulpmiddelen, uw klant én naar uzelf.

Het combineert het planbare en te regisseren deel van implementeren met het onvoorspelbare en niet te plannen deel ervan. Het in regie zetten van implementaties, weten wat u kunt beïnvloeden of bijsturen en wat niet, doet niet alleen een beroep op wat u weet en wat u kan, maar ook op wie u bent. Aan de hand van elf werkzame principes maakt ‘Implementatiekunst’ een spectrum van veranderkundige concepten, methoden en technieken toegankelijk voor de realistische manager en veranderkundige. Realistisch veranderen betekent dat u het vermogen ontwikkelt om meerdere en soms conflicterende realiteiten toegankelijk te maken als bron voor groei en ontwikkeling van mensen in organisaties.

‘Implementatiekunst’ is een praktische gids om het bewustzijn van uw handelen als veranderaar te vergroten, uw interventierepertoire op te rekken en uw taal te geven om de door u gekozen aanpak gedegen te onderbouwen. Naast mijlpalen, planningen, sturen en ontwerpen, behandelen de auteurs begrippen als meervoudigheid, variëteit, stakeholders, heelheid en evolutie.

Over Marcel Kuhlmann

Marcel Kuhlmann is senior consultant bij Kessels en Smit en gespecialiseerd in het begeleiden en regisseren van grootschalige organisatieontwikkelings- en veranderingsprocessen.

Over Brigitte Hoogendoorn

Brigitte Hoogendoorn werkt bij Pentascope als senior adviseur op het gebied van implementatie- en verandermanagement, waarover zij ook trainingen en lezingen verzorgt.

Bert Peene

‘Implementatiekunst’ gaat over veranderen en dat maakt het al op voorhand tot een interessant boek. Want veranderingen zijn aan de orde van de dag. Organisaties en mensen veranderen voortdurend en als vanzelf. ‘Dat zit in hun natuur,’ aldus Brigitte Hoogendoorn, die het boek samen met Marcel Kuhlmann schreef. ‘Het is eerder vreemd wanneer het niet gebeurt dan wanneer het wel gebeurt.’ Zo is het maar net. Veranderingen kun je dus maar beter niet negeren. Je kunt ze overigens evenmin regisseren en dat is volgens de auteurs goed nieuws. Steek je energie dus in wat wel te managen is, namelijk jezelf en je interventies. Daarover gaat dit boek.

Het lijvige boekwerk hoort thuis in een beweging die ‘Schitterend organiseren’ wordt genoemd. Schitterend organiseren wil een inspiratiebron zijn voor een nieuwe manier van organiseren waarin mensen centraal staan met hun doelen, waarden, drijfveren en talenten. Schitterend organiseren gaat over duurzaamheid, vakmanschap, zingeving en authenticiteit. De geestverwanten organiseren congressen – het Nationaal Implementatie Congres 2008 bijvoorbeeld -, hebben een eigen academie – de Pentascope Academy – en zorgen voor literatuur waarin het gedachtegoed van de beweging uiteengezet wordt. ‘Implementatiekunst’ is daarvan het meest recente voorbeeld.

Dit boek van Marcel Kuhlmann en Birgitte Hoogendoorn is bedoeld voor iedereen die betrokken is bij of leiding geeft aan implementaties; ‘regisseurs’ worden ze genoemd en dat is meer dan zomaar een woord. Een regisseur speelt volgens de auteurs namelijk een groot aantal rollen. Als regisseur stap je soms in een scène en soms eruit; je houdt afstand maar laat ook nabijheid zien, faciliteert maar daagt ook uit. Enfin, als je een leiding geeft aan implementaties, moet je een duivelskunstenaar zijn. Maar dat kun je moeilijk een nieuwtje noemen.

‘Implementatiekunst’ wordt gepresenteerd als een gids en een naslagwerk. De auteurs nemen u mee langs een aantal relevante onderwerpen op het vakgebied implementeren, laten u vanuit verschillende perspectieven naar vraagstukken en hulpmiddelen kijken, naar de klant én naar zijn eigen persoon, en bieden bovendien theoretische inzichten en praktische hulpmiddelen.

Het boek bestaat uit drie delen. ‘De regels van de kunst’ (deel I) biedt vooral een theoretische achtergrond. Deel II heet ‘Kunst-‘werk” en gaat in op de bronnen waaruit je als regisseur je inspiratie put: je eigen biografie en de omgeving waarin je opereert. Het laatste deel bevat negen interviews waarin gerenommeerde vakgenoten (Peter Robertson, Joop Swieringa en anderen) hun visie geven op specifieke veranderkundige thema’s zoals participatie, robuustheid, schaamte, waardigheid en taaiheid. De bijlagen ten slotte bevatten onder meer een uiteenzetting over ‘Spiral Dynamics’, een benaderingswijze die leert hoe je mensen en organisaties ‘natuurlijk’ kunt veranderen.

Ondanks zijn omvang kun je ‘Implementatiekunst’ een bescheiden boek noemen. De auteurs presenteren hun handreikingen, inzichten en interventiemethoden namelijk niet als state-of-the-art, maar bekennen onmiddellijk dat deze gebaseerd zijn op persoonlijke aannames en veronderstellingen. De twee belangrijkste wil ik u niet onthouden, omdat ze de basis vormen voor het hele betoog: voor een succesvolle implementatie is het belangrijk de boven- en onderstroom met elkaar te verbinden en ‘meerstemmigheid’ moet je productief maken.

Het onderscheid tussen de bovenstroom en onderstroom in organisaties is een metafoor die steeds in het boek terugkeert. Ze laat het verschil zien tussen wat mensen officieel met elkaar afspreken en hoe ze daar informeel betekenis aan geven. En dat wil nog wel eens anders zijn. Verbeeld je dus niet dat je veranderingen met alleen plannen, mission statements en strategieën kunt doorvoeren, waarschuwen Hoogendoorn en Kuhlmann. ‘Er verandert alleen iets als mensen het in hun hoofd, handen en hart krijgen. Dat doe je door wat men er echt van vindt mee te nemen, ook al strookt dit niet met wat je eigenlijk wilt horen.’

En wat die meerstemmigheid betreft: complexe en vervlochten vraagstukken kunnen volgens hen niet vanuit één positie geanalyseerd en opgelost worden. ‘Participatie is geen modetrend maar noodzaak.’ Implementeren is volgens de auteurs ‘een polyvocaal proces van betekenisgeving’, waarin de kans op succes groter wordt naarmate je meer respect en gevoel opbrengt voor de realiteit van de ander.

Dat is duidelijk. Maar is het ook nieuw, of beter: vernieuwend? Ik waag het te betwijfelen. Er zullen vast nog voldoende ‘regisseurs’ zijn met een uitgesproken voorkeur voor de Angelsaksische manier van organiseren, de ‘planned change’.’ Maar intussen zijn de beperkingen van deze denk- en werkwijze toch wel in brede kring doorgedrongen. Je hoeft echt niet uren achter de computer te zitten om een behoorlijke lijst van Rijnlandse literatuur te kunnen samenstellen; boeken waarin je kunt lezen dat organisatie-effectiviteit in belangrijke mate bepaald wordt door waardering voor de creativiteit en mogelijkheden van mensen wanneer ze hun talenten en passie in voldoende mate kunnen gebruiken.

Wat ‘Implementatiekunst’ in ieder geval de moeite van lezen waard maakt, zijn de methoden en technieken die in ‘het meest praktische en tegelijkertijd het meest creatieve hoofdstuk van dit boek’ beschreven worden. Het zijn er elf en ze hebben tot de verbeelding sprekende namen als ‘Appreciative Inquiry’, ‘Future Search’ en ‘Soft Systems Methodology’. Iedere methode wordt volgens een stramien beschreven dat duidelijk op toepasbaarheid is gebaseerd; met een casus en een literatuurverwijzing tot slot.

‘Implementatiekunst’ heet een gids en een naslagwerk te zijn. Die belofte maken Kuhlmann en Hoogendoorn zeker waar. De meer beschouwelijk ingestelde lezer komt volop aan zijn trekken, de pragmaticus uiteindelijk ook wel, zij het in wat mindere mate. U zult dus eerst moeten bepalen tot welke categorie u behoort om te weten of dit boek voor u de moeite waard kan zijn.